|
RONDGANG.
Binnen een kegelbond willen de meeste leden-kegelaars hun
vaardigheden meten met de anderen. Ook willen de clubs graag weten
hoe sterk ze zijn in vergelijking met de andere clubs. Het
vaststellen van een volgorde qua sterkte is dan noodzakelijk, zowel
voor de clubs als voor de individuele leden. Als wedstrijdvorm is
gekozen voor een “RONDGANG”.
Deze naam behoeft een toelichting.
In de gouden jaren van het kegelen (rond 1950-1960) waren er
vele horecagelegenheden die een kegelbaan exploiteerden. Deze
bestond normaliter uit een kegelruimte met twee naast elkaar gelegen
kegelbanen. Onder gunstige omstandigheden werden deze elke avond
verhuurd aan kegelaars. Hieronder waren ook clubs aangesloten bij de
Bond. Om hun krachten te meten met andere clubs werd door de Bond
een onderlinge wedstrijd georganiseerd. Hierbij werd beurtelings in
elk kegelhuis door alle clubs die aan deze “RONDGANG”
meededen 30 ballen per speler gegooid. In de eindklassering hadden
alle deelnemers dan evenveel ballen gegooid op dezelfde banen. Een
ieder één keer thuis en de rest in andere kegelhuizen. Je gaat als
het ware rond bij alle kegelhuizen, vandaar de naam “RONDGANG”
De dertig ballen
per speler.
Een beetje moeilijk: per kegelhuis worden 30 ballen per
speler gegooid, dus 15 ballen per baan. Indien kegelaars op deze
manier over ballen praten bedoelen zij worpen. Per worp kun je
maximaal 9 kegels omwerpen (meer staan er niet), minimaal geen een
als de bal van de baan afloopt. Het maximum per baan is dus 135
omgegooide kegels. In vaktermen heet dat “hout”.Per speler wordt de
stand over de gehele rondgang bijgehouden. Aan het einde van de
rondgang komt daar dus een kampioen uit.
Ook de clubs worden tegen elkaar uitgespeeld. Het
clubklassement wordt bepaald door per baan de 5 hoogste scores bij
elkaar op te tellen. Met de uitkomst van het totaal van de twee
banen ga je door naar de volgende wedstrijd. Het totaal van deze
uitkomsten bepaalt aan het einde van de rondgang de plaats van je
club. Ook hier kan je club kampioen worden.
|